Zoeken in deze blog

woensdag 26 januari 2011

Zelfstandigen en armoede


Na het behalen van mijn middelbaar diploma in de kinderzorg ben ik meteen in het werkveld gestapt als beginnende zelfstandige in een vennootschap gedurende enkele jaren. Zo trots als ik was, had ik hoge verwachtingen van mijn job. Na verloop van tijd realiseerde ik me echter dat het eigen baas zijn niet op alle vlakken voordelen schept. Zo stond bijvoorbeeld een dag ziek zijn of jaarlijkse vakantie gelijk met geen inkomsten, weinig kinderen in de crèche betekende minder inkomsten, en aan de verplichte kwartaalbijdragen voor de sociale zekerheid was er geen ontkomen aan. En af en toe een volledige controle van de belastingen was ook niet uitzonderlijk. Mijn eigen baas zijn had zo zijn prijs. Vandaar mijn interesse bij het nieuwsitem dat een behoorlijk aantal kleine zelfstandigen in miskende armoede leeft. Sommigen worden rijk van een eigen zaak, anderen bijlange niet. Is werken in vast loonverband dan zoveel beter? Geniet het ondernemen in onze tijd nog een aanzien en een status zoals vroeger in de tijd van de ambachtslieden? Deze issues komen aan bod in deze bijdrage.



40.000 zelfstandigen leven in armoede
Een recente studie van professor LAMBRECHT aan de HUB confronteerde me met de cijfers dat in de periode 1998 tot 2006 maar liefst 40.000 zelfstandige ondernemers een inkomen verdienen dat onder de armoedegrens ligt[1]. In zijn geheel betekent dit dat 15 procent van alle zelfstandigen in armoede leeft. Gezien mijn persoonlijke achtergrond als zelfstandige in hoofdberoep was mijn interesse gewekt om hier even dieper op in te gaan. De perceptie bij de buitenstaander is dat vrije beroepen goed hun boterham verdienen, het omgekeerde strookt echter vaker met de realiteit. Het is een foute perceptie die vooral gegroeid is uit het verleden.


De status van de kleine burgerij van weleer in verval
Algemeen stelt DE SWAAN A. in zijn boek ‘Zorg en de staat’ dat de sociale zekerheid toenam met de afname van kleine zelfstandigen ten koste van de groei van het aandeel loontrekkers in de beroepsbevolking. Doorheen de moderne geschiedenis heeft de kleine burgerij zich steeds gekeerd tegen de toenemende zorg voor arbeiders. De kleine zelfstandigen stelden zich resoluut op tegen elke poging tot collectivisering van de sociale zekerheid. Zij redeneerden dat een arbeider maar zo slim genoeg moest zijn om maandelijks een stuk van zijn loon opzij te zetten als spaarpot. De ambachten moesten dit trouwen ook maar zo doen[2]. De toenemende invloed van de arbeidersbeweging lag niettemin aan de basis waarom de rechtspositie van iemand met een vrij beroep totaal verschillend ontwikkelde als die van een werknemer in loondienst. Bewijs hiervan is de explosieve toename van de sociale wetgeving in het voordeel van de loontrekkenden in de 19de en 20ste eeuw.
Pas een eind na de Tweede Wereldoorlog is er een beperkte inhaalbeweging aan sociale wetten waarneembaar voor zelfstandigen[3]. Dit heeft niet kunnen vermijden dat de gewaardeerde sociale status die verbonden was met de kleine bourgeoisie van weleer, niet langer opgaat voor vele eenmanszaken van tegenwoordig.


Minder sociale bescherming
Tot op heden is er een immens verschil tussen het statuut van iemand die een zelfstandig beroep bekleedt en een persoon die werkt in loondienst. Waar de werknemer aanzienlijk meer sociale bescherming geniet, is dit niet het geval voor kleine ondernemers. Zo is het inkomen van een zelfstandige bij ziekte drastisch minder, is het wettelijk pensioen beduidend minder, en komt men in het geval van werkloosheid niet meteen in aanmerking voor een uitkering.
Bijkomende factoren waardoor een zelfstandige zijn inkomen ziet dalen, zijn: toename van concurrentie, wegenwerken, een economische laagconjunctuur, hoge belastingdruk, extra lasten, complexe regelgeving…[3]


Werken aan een beter ondernemingsklimaat
Het is aan de deelregeringen in ons land om garant te staan voor een gezond ondernemingsklimaat. Zo hebben alle overheden een vinger in de pap om tegemoet te komen aan een transparanter beleid. Minder complexe regelgeving, een lagere lastendruk en extra inspanningen op het vlak van sociale bescherming kunnen het vrije beroep terug opwaarderen. Want nu betaalt een zelfstandige in hoofdberoep toch maar een hoge prijs voor de vrijheid die geassocieerd wordt aan de uitoefening van zijn beroep tegenover de sociaal (over)beschermde werknemer.


[1] VANDERSMISSEN, M. (2010). ‘Ik verloor mijn zaak, mijn gezin en mijn trots’. De Standaard. Geraadpleegd op 10 januari 2011, op http://www.mediargus.be
[2] DE SWAAN, A. (2004). Zorg en de Staat. Amsterdam: Bert Bakker, p.166, 168, 176.
[3] D’HERTEFELT, F. (red.) (2010). Praktisch sociaal recht. Antwerpen: De Boeck, p.13 – 14.
[3] VANDERSMISSEN, M. (2010)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten