Zoeken in deze blog

woensdag 26 januari 2011

Geïnterneerden in gevangenissen: hoe lang nog?


Onlangs had ik naar aanleiding van een assisenzaak in het nieuws een discussie  met een collega die van mening overtuigd was dat ze 'zotte mensen die iets misdoen maar moeten opsluiten voorgoed, want de kans op genezing is toch klein'. Mijn gevoel zei me dat er iets niet klopte aan deze opinie. Iedereen verdient toch op zijn minst de nodige hulpverlening om in menswaardige omstandigheden te leven. Psychiatrische patiënten die een misdrijf gepleegd hebben -geïnterneerden dus- zijn immers niet volledig bewust van de door hen gepleegde feiten. Deze bijzondere categorie van mensen moeten juist beschermd worden tegen zichzelf, en niet opgesloten worden tussen 'gewone' misdadigers.

Hoe komt het toch dat er, in de voorbije recente geschiedenis van institutionalisering en in onze heersende filosofie van zorg op maat van het individu, nog steeds mensen zijn die hulp nodig hebben aan hun lot worden overgelaten zonder enig perspectief op beterschap?
Om deze vragen te beantwoorden, ging ik op zoek naar enige duiding en achtergrondinformatie. Ik heb uiteindelijk gezocht én gevonden...


Stijgend aantal geïnterneerden in gevangenissen
Het afgelopen jaar bond magistraat H. HEIMANS de kat aan de bel door erop te wijzen dat een stijgend aantal geïnterneerden in de gevangenissen aan hun lot worden overgelaten[1]. Door een tekort aan opvang in de psychiatrie verblijven meer dan 1000 geïnterneerden in de gevangenissen zonder specifieke behandeling. Hoe is dit mogelijk? Leven wij dan niet in de 21ste eeuw? Een reflectie naar hoe het vroeger ging, dringt zich op.


Differentiatie van instituties, maar niet voor geïnterneerden
In zijn boek ‘Zorg en de staat’ beschrijft DE SWAAN het ontstaan van armenhuizen als nieuw soort institutie in het kader van de armenzorg. De armenhuizen kregen echter al vlug de reputatie van gevangenissen omdat ze een amalgaam van minderbedeelden omvatten (bedelaars, zieken, bejaarden, krankzinnigen, zwakbegaafden…).
Pas met de opkomst van de industrialisering in de 19de eeuw, werd een differentiatie van instituties ingevoerd. Naast gevangenissen werden er ziekenhuizen, bejaardenhuizen, weeshuizen en gestichten opgericht. Voor al deze specifieke doelgroepen werden er zorginstellingen op maat gecreëerd[2]. Één groep werd daarbij tot op heden over het hoofd gezien: de ontoerekeningsvatbaar verklaarde individuen, in het jargon de ‘geïnterneerden’ genoemd.


Niet schuldig, wel gestraft…
Mensen met een psychische stoornis die een strafbaar feit hebben gepleegd en een gevaar vormen voor de maatschappij, worden geïnterneerd. In tegenstelling tot een gewone gevangenisstraf is een internering van onbepaalde duur. Geïnterneerden worden in ons rechtssysteem niet schuldig geacht voor hun gepleegde misdrijven, maar wel gestraft als een verantwoordelijk individu[3]. Behalve dat slechts enkele gevangenissen in ons land over een  psychiatrische afdeling beschikken, worden de meeste geïnterneerden opgesloten tussen ‘gewone’ gevangenen. Van een behandeling op maat met het oog op reïntegratie in de maatschappij is er weinig sprake.


Zorg op maat dringt zich op
Ontslagnemend minister van Justitie S. DE CLERCK heeft een oplossing beloofd voor de onhoudbare situatie van geïnterneerden in gevangenissen[4]. In samenwerking met de psychiatrische zorginstellingen moeten er tegen 2014 maar liefst 1000 plaatsen bijkomen voor mensen die een misdrijf gepleegd hebben en hiervoor ontoerekeningsvatbaar zijn verklaard. In deze ‘speciale’ zorginstituten zal een behandeling op maat van het individu opgesteld worden.
Nu nog hopen dat de volgende minister van Justitie ook deze visie draagt en eindelijk uitvoering geeft aan deze gewenste en noodzakelijke differentiatie van het gevangeniswezen.


[1] (2010). Interview met Hernri Heimans. Voorzitter van de Commissie Bescherming Maatschappij van Gent. Ad Rem, jaargang 9, speciale editie, 30-35;
CANVAS. (2010). Te gek om los te lopen.  Geraadpleegd op 18 januari 2011, op http://video.canvas.be/panorama-59-te-gek-om-los-te-lopen
(2010, 16 maart). “Geïnterneerden worden als wegwerpproducten op een hoop gegooid”. Geraadpleegd op 18 januari 2011, op http://www.hln.be/hln/nl/4833/Belgie/article/detail/1080826/2010/03/16/Geinterneerden-worden-als-wegwerpproducten-op-een-hoop-gegooid.dhtml;
LESAFFER, P (2010, 30 januari). De schandvlek van Justitie. De Standaard. Geraadpleegd op 18 januari 2011, op http://www.pfpcg.be/De%20schandvlek%20van%20Justitie.pdf
[2] DE SWAAN, A. (2004) Zorg en de staat. Amsterdam: Bert Bakker, p.35, 40, 59.
[3]LESAFFER, P. (2010); KROLS, N. (2010). Geen schuld, wel straf. Weliswaar. Geraadpleegd op 18 januari, op http://www.weliswaar.be/nieuws/p/detail/geen-schuld-wel-straf-fototentoonstelling-boek-en-colloquium-over-geinterneerden
[4] (2010, 05 september). “Over vier jaar geen geïnterneerden meer in gewone gevangenissen”. Geraadpleegd op 18 januari 2011, op http://www.hbvl.be/nieuws/binnenland/aid969578/over-vier-jaar-geen-geinterneerden-meer-in-gewone-gevangenissen.aspx

Zelfstandigen en armoede


Na het behalen van mijn middelbaar diploma in de kinderzorg ben ik meteen in het werkveld gestapt als beginnende zelfstandige in een vennootschap gedurende enkele jaren. Zo trots als ik was, had ik hoge verwachtingen van mijn job. Na verloop van tijd realiseerde ik me echter dat het eigen baas zijn niet op alle vlakken voordelen schept. Zo stond bijvoorbeeld een dag ziek zijn of jaarlijkse vakantie gelijk met geen inkomsten, weinig kinderen in de crèche betekende minder inkomsten, en aan de verplichte kwartaalbijdragen voor de sociale zekerheid was er geen ontkomen aan. En af en toe een volledige controle van de belastingen was ook niet uitzonderlijk. Mijn eigen baas zijn had zo zijn prijs. Vandaar mijn interesse bij het nieuwsitem dat een behoorlijk aantal kleine zelfstandigen in miskende armoede leeft. Sommigen worden rijk van een eigen zaak, anderen bijlange niet. Is werken in vast loonverband dan zoveel beter? Geniet het ondernemen in onze tijd nog een aanzien en een status zoals vroeger in de tijd van de ambachtslieden? Deze issues komen aan bod in deze bijdrage.



40.000 zelfstandigen leven in armoede
Een recente studie van professor LAMBRECHT aan de HUB confronteerde me met de cijfers dat in de periode 1998 tot 2006 maar liefst 40.000 zelfstandige ondernemers een inkomen verdienen dat onder de armoedegrens ligt[1]. In zijn geheel betekent dit dat 15 procent van alle zelfstandigen in armoede leeft. Gezien mijn persoonlijke achtergrond als zelfstandige in hoofdberoep was mijn interesse gewekt om hier even dieper op in te gaan. De perceptie bij de buitenstaander is dat vrije beroepen goed hun boterham verdienen, het omgekeerde strookt echter vaker met de realiteit. Het is een foute perceptie die vooral gegroeid is uit het verleden.


De status van de kleine burgerij van weleer in verval
Algemeen stelt DE SWAAN A. in zijn boek ‘Zorg en de staat’ dat de sociale zekerheid toenam met de afname van kleine zelfstandigen ten koste van de groei van het aandeel loontrekkers in de beroepsbevolking. Doorheen de moderne geschiedenis heeft de kleine burgerij zich steeds gekeerd tegen de toenemende zorg voor arbeiders. De kleine zelfstandigen stelden zich resoluut op tegen elke poging tot collectivisering van de sociale zekerheid. Zij redeneerden dat een arbeider maar zo slim genoeg moest zijn om maandelijks een stuk van zijn loon opzij te zetten als spaarpot. De ambachten moesten dit trouwen ook maar zo doen[2]. De toenemende invloed van de arbeidersbeweging lag niettemin aan de basis waarom de rechtspositie van iemand met een vrij beroep totaal verschillend ontwikkelde als die van een werknemer in loondienst. Bewijs hiervan is de explosieve toename van de sociale wetgeving in het voordeel van de loontrekkenden in de 19de en 20ste eeuw.
Pas een eind na de Tweede Wereldoorlog is er een beperkte inhaalbeweging aan sociale wetten waarneembaar voor zelfstandigen[3]. Dit heeft niet kunnen vermijden dat de gewaardeerde sociale status die verbonden was met de kleine bourgeoisie van weleer, niet langer opgaat voor vele eenmanszaken van tegenwoordig.


Minder sociale bescherming
Tot op heden is er een immens verschil tussen het statuut van iemand die een zelfstandig beroep bekleedt en een persoon die werkt in loondienst. Waar de werknemer aanzienlijk meer sociale bescherming geniet, is dit niet het geval voor kleine ondernemers. Zo is het inkomen van een zelfstandige bij ziekte drastisch minder, is het wettelijk pensioen beduidend minder, en komt men in het geval van werkloosheid niet meteen in aanmerking voor een uitkering.
Bijkomende factoren waardoor een zelfstandige zijn inkomen ziet dalen, zijn: toename van concurrentie, wegenwerken, een economische laagconjunctuur, hoge belastingdruk, extra lasten, complexe regelgeving…[3]


Werken aan een beter ondernemingsklimaat
Het is aan de deelregeringen in ons land om garant te staan voor een gezond ondernemingsklimaat. Zo hebben alle overheden een vinger in de pap om tegemoet te komen aan een transparanter beleid. Minder complexe regelgeving, een lagere lastendruk en extra inspanningen op het vlak van sociale bescherming kunnen het vrije beroep terug opwaarderen. Want nu betaalt een zelfstandige in hoofdberoep toch maar een hoge prijs voor de vrijheid die geassocieerd wordt aan de uitoefening van zijn beroep tegenover de sociaal (over)beschermde werknemer.


[1] VANDERSMISSEN, M. (2010). ‘Ik verloor mijn zaak, mijn gezin en mijn trots’. De Standaard. Geraadpleegd op 10 januari 2011, op http://www.mediargus.be
[2] DE SWAAN, A. (2004). Zorg en de Staat. Amsterdam: Bert Bakker, p.166, 168, 176.
[3] D’HERTEFELT, F. (red.) (2010). Praktisch sociaal recht. Antwerpen: De Boeck, p.13 – 14.
[3] VANDERSMISSEN, M. (2010)

Een verloren generatie

 
Toen ik afgelopen kerstvakantie in de winkelstraten van Brussel op jacht was naar nieuwjaarsgeschenken, viel het me op dat er een heel aantal jongeren in groepjes samentroepen en de winkelende mensen gade slaan. Je hebt ze misschien ook al gemerkt: 15 à 20 jaar oud, meestal jongens van vreemde origine, de haren mooi kort geknipt en in de juiste vorm, modern  aangekleed en in het bezit van een gsm met tal van toepassingen op. Wie boodschappen doet in een grootstad, komt deze jongens zeker wel eens tegen. Het feit is dat ze door menig boodschapper slechts vluchtig een blik krijgen, want ook ik voel me toch niet op mijn gemak als ik van die groepjes voorbijloop. Deze groepjes krijgen ook wel het etiket 'hangjongeren' opgeplakt. 
Is dit echt wel een nieuw fenomeen dat soms uitvergroot wordt door de media, of bestaat dit al langer? Kunnen we iets ondernemen tegen het onbehaaglijk gevoel dat hangjongeren ons geven want vaak worden ze toch geassocieerd met criminaliteit? In onze samenleving die steeds complexer wordt met verschillende nationaliteiten, is dit een fenomeen waar we misschien best aandacht moeten aan besteden... 


Allochtone jongeren met een kwalijke reputatie
Enkele maanden geleden toonde een televisiereportage van Panorama op de openbare omroepzender Canvas een beeld van de als ‘verloren generatie’ bestempelde allochtone jongeren in bepaalde wijken van Brussel[1]. Daarin werd dieper gegaan op de problematiek van jeugdcriminaliteit in de hoofdstad. Zonder met beschuldigende vinger te wijzen naar bevolkingsgroepen, vind ik het nuttig op zoek te gaan naar de werkelijke oorzaken en mogelijke oplossingen van dit fenomeen. 


Vooral probleem van de grootsteden
Dat de grote steden een aantrekkingspool zijn voor mensen met minder goede bedoelingen, is reeds een langer gekend gegeven. DE SAAN A. brengt in zijn boek ‘De Zorg en de staat’ een schets uit de vroegere tijden van landlopers en criminelen die zich in de massa van de stad onderdompelden om diefstallen en geweld te plegen. In tijden van crisis of misoogst hielden de steden de stadspoorten dicht voor vreemdelingen, dieven en plunderaars.
Jonge werklozen werden wegens het gebrek aan een sociaal vangnet door de bevolking gevreesd als potentiële criminelen. Scholen werden opgericht, niet alleen om te leren rekenen en schrijven, maar vooral als civiliserende instantie om jonge mensen in het gelid te doen lopen in overeenstemming met de regels van het bestuur[2]. In de uitbouw van het onderwijssysteem in de Verenigde Staten, die trouwens in de 19de eeuw geconfronteerd werd met tal van immigranten, werd zelfs een spijbelpolitie ingeschakeld en voorzien in tuchtscholen voor hardleerse jongeren. Deze disciplinemaatregelen ontmoedigden immigrantenkinderen uit te groeien tot jonge zwervers ide leefden van  kattekwaad en jeugdcriminaliteit[3]. 

In het hedendaagse Europa is het echter onmogelijk om terug te grijpen naar sommige maatregelen uit vervlogen tijden. Maar dit betekent niet dat we niet kunnen leren uit het verleden en eventueel teruggrijpen naar praktijken waarvan hun nut eerder bewezen is.
Het is nu inderdaad eenmaal zo dat hoe groter de bevolkingsdichtheid is, hoe groter de kans bestaat dat er een deel van de bevolking afwijkend gedrag zal stellen. Het mag en het kan echter niet zijn dat dit deel van de bevolking ganse wijken gaat terroriseren. Veiligheid en leefbaarheid zijn immers een recht van elke burger.


Oorzaken: een combinatie van factoren
Stadswijken die ontaard zijn tot no go areas voor publiek en ordediensten ontstaan niet uit het niets. Tal van factoren liggen aan de basis van dergelijke verzuurde wijken. Zo is het geweten dat wijken waar het publieke leven stil valt, vaker een biotoop worden voor mensen die zich afzetten van de gangbare maatschappij. Hoge werkloosheid en lage inkomens zorgen voor een aanzuigeffect van gefrustreerde individuen. In niet weinig van deze gevallen wordt de rode loper uitgerold voor mensen met kwade bedoelingen. Een ingrijpen van de plaatselijke politieke overheden in samenwerking met buurtinstanties dringen zich in dergelijke situaties op.


Oplossing: geïntegreerd beleid
Om tegemoet te komen aan een multifactorieel probleem, dient men naar meerdere oplossingen te zoeken. Naast een efficiënt werkend justitieapparaat, getuigt een politiek van goed bestuur van een daadkrachtig beleid op het vlak van werkgelegenheid, kwalitatieve huisvesting, gelijke kansenonderwijs en integratie. Zo is de kennis van het Frans EN het Nederlands van onbepaalde waarde in het actieve beroepsleven.
Niet te vergeten geeft de uitbouw van een sterk sociaal-cultureel beleid (zoals de inplanting van bibliotheken, buurthuizen, gemeenschappelijke sportinfrastructuur, enz.) meer zuurstof aan ‘opgegeven’ stadswijken. Dat dit alles een kostenplaatje heeft, hoeft niemand te verwonderen. Het is geen toeval dat tijdens de actuele regeringsonderhandelingen geschreeuwd wordt naar 500 miljoen euro extra middelen voor Brussel. De vraag rest: wie wil betalen voor een als verloren bestempelde generatie?


(DEEL 1/4 van reportage op CANVAS (2010, 6 juni), Quartiers chauds, quartiers perdus?)


[1] CANVAS. (2010). Quartiers chauds, quartiers perdus? Geraadpleegd op 07 januari 2011, op http://video.canvas.be/panorama-6-juni-2010-quartiers-chauds-quartiers-perdus
[2] DE SWAAN, A. (2004). Zorg en de staat. Amsterdam: Bert Bakker, p.256, 259.
[3] DE SWAAN, A., p.121-122.