Zoeken in deze blog

zondag 15 mei 2011

Mijn persoonlijke eindreflectie

Met het uitwerken van deze opdracht in het kader van het vak Politieke en Sociale geschiedenis, heb ik vooral nieuwe inzichten opgedaan bij het benaderen van sociale onderwerpen vanuit een historisch en politieke invalshoek. Ik heb er me ook op betrapt nog meer interesse te gaan tonen voor de actualiteit.

De interactie van de medestudenten van verschillende sociale richtingen vond ik zeer interessant. Zo is het boeiend de discussie en de argumenten van andere studenten te lezen en er dieper op in te gaan. Het is bijzonder leerrijk de inhoud van andere blogs te leren kennen. Het wekt nieuwsgierigheid op stil te staan bij thema’s waar we in het gewone leven vaak snel over gaan. De communicatievorm van een persoonlijke blog geeft zeker en vast een meerwaarde binnen de context van het digitale tijdperk waarin we leven.

De rode draad in mijn bijdragen onderstreept voornamelijk het belang van de rol van de overheid in het uitvoeren van een consequent politiek en sociaal beleid op lange termijn. Politieke beleidsmakers dienen steeds oog te hebben voor het sociaal gebeuren en de impact van hun maatregelen.
In het geval van België valt het in ernstige mate te betreuren dat er gedurende het uitvoeren van deze opdracht sedert meer dan een jaar nog steeds geen nieuwe federale regering gevormd is. Het ontbreken van een daadkrachtig uitvoeringsorgaan zoals een regering heeft immers een niet te onderschatten impact voor ons algemeen welzijn.

Een andere vaststelling die me opvalt, is dat het heersende economisch marktmodel een enorme invloed heeft op het reilen en zeilen binnen een samenleving. Ontken of beken het, heel veel sociale problemen hebben een financiële oorsprong. Geld maakt zeker niet gelukkig, maar het maakt het zeker iets gemakkelijker. Dit is zeker het geval voor de lage sociale klassen in onze maatschappij. Het is zelfs zo erg gesteld dat de betaalbaarheid van de westerse verzorgingsstaat door tijden van crisis serieus in het gedrang is gekomen. Hervormingen zoals besparingen op het vlak van sociale zekerheid dringen zich op, maar dit mag niet ten koste gaan van ons welzijn.

Een ander gegeven die me doorheen deze opdracht duidelijk werd, is dat de meeste sociale problemen niet zo ‘nieuw’ zijn als we zouden denken. Het boek ‘Zorg en de staat’ van DE SWAAN is hiervan een prachtige verrijkende illustratie. Verdieping in de recente geschiedenis van de voorbije eeuwen toont aan dat heel veel problemen van onze tijd ook reeds problemen waren uit vervlogen tijden. Oplossingen en remedies van vroeger kunnen mits aanpassing naar onze tijdsgeest nog steeds hun nut bewijzen. Andere problemen zijn dan weer historisch zo gegroeid. Kennis van het verleden helpt met andere woorden ongetwijfeld het heden beter te begrijpen.

Om nu een antwoord te kunnen formuleren op DE SWAAN zijn open vraag of de geschiedenis van de moderne tijd zich zal herhalen op mondiaal niveau, dan moet ik het antwoord eveneens schuldig blijven. Laat ons hopen dat de wereld voor iedereen wat beter en socialer wordt. Als iedereen zijn stukje verantwoordelijkheid neemt, dan komen we al een heel eind vooruit!

dinsdag 1 maart 2011

Ruimtelijke segregatie van sociale klassen anno 2011

Een van mijn dromen, net zoals waarschijnlijk zoveel anderen onder ons, is ooit een huis te kunnen kopen. Mijn zoektocht naar een woning of grond botst echter heel vaak met mijn gepland budget. Ik hou al niet van de stadsdrukte, maar de vrije ruimte op het platteland wordt ook stilaan schaarser en dus duurder. Meer en meer buurten lijken voorbehouden te zijn voor de hogere inkomens.
Hoe komt het toch dat de grond- en de vastgoedprijzen de afgelopen jaren zo flink gestegen zijn? Moeten we straks een leven lang slaafs een hypotheek afbetalen in ruil voor de verwezenlijking van één droom? Evolueren we naar een geografische scheiding van arm en rijk? En wat met de modale tweeverdienergezinnen? Kan er een halt aan deze evolutie worden toe geroepen? Is het fenomeen van residentiële wijken niet veel ouder dan vandaag? Een mooi en best amusant gegeven uit de actualiteit nodigde me uit om eens dieper in te gaan op deze kwestie. Volgt u me even...


De rijke klasse op de vlucht… voor de Aldi!
In een residentiële buurt van de Brusselse randgemeente Wemmel reageren welgestelde bewoners furieus op de plannen voor een inplanting van een Aldi in hun straat. Ze vrezen dat de komst van de winkel de rust in de residentiële wijk zal verstoren en de marktwaarde van hun woningen zal doen dalen. Sommigen onder hen zijn van plan hun eigendom te verkopen. Anderen hebben dit reeds gedaan[1]. De rijke klasse op de vlucht… voor de Aldi!  


Ruimtelijke segregatie van sociale klassen in België
Gegevens van de Federale Overheidsdienst (FOD) Financiën wijzen uit dat burgers woonachtig in bepaalde gemeenten opmerkelijk welvarender zijn. Zo zijn de burgers met de hoogste inkomens woonachtig in het Oost-Vlaamse Sint-Martens-Latem, gevolgd door gemeenten uit het Leuvense (o.a. Lubbeek, Bierbeek). De randgemeenten rond Brussel (o.a. Sint-Genesius-Rode, Wemmel) en Knokke blijven eveneens hoog scoren op de lijst van hoogste inkomens per inwoner in Belgische gemeenten. Gemeenten met de laagste inkomens situeren zich onder meer in Brussel (o.a. Sint-Joost-ten-Node) en Wallonië[2].

Deze gegevens van de FOD Financiën hangen sterk samen met de vastgoedprijzen op het grondgebied van deze gemeenten. Waar de inkomens gemiddeld hoog zijn, stelt men vast dat de grondprijzen hoog zijn. Waar de inkomens laag zijn, blijkt de marktwaarde van woningen en gronden ook effectief lager te zijn. De huisvestingsmarkt hangt met andere woorden sterk samen met de ruimtelijke spreiding of segregatie van sociale klassen. Chique residentiële buurten hebben dus een aanzuigingskracht op welgestelde burgers, terwijl buurten met een mindere reputatie veeleer mensen uit de lagere sociale klassen aantrekken. Niet toevallig was dit in het verleden ook niet anders.   


De dominante strategie van de 19de eeuwse stadselite
DE SWAAN bestempelt in zijn boek ‘Zorg en de staat’ het verschijnsel waarbij de rijke burgers zich in de steden wegtrokken uit de buurten waar armen woonden, als de dominante strategie van de 19de eeuwse stadselite. Deze afzondering van sociale klassen in aparte woonwijken noemt DE SWAAN de dominante strategie van het individueel isolationisme.
Hij stelt vast dat juist door deze ruimtelijke segregatie van sociale klassen, de levensomstandigheden in de armere buurten verbeterden door het ontstaan van collectieve dienstverlenende netwerken. Publieke goederen (zoals verharde wegen, openbare scholen) deden hun opmars en mits een financiële bijdrage kon iedereen stilaan gebruik maken van dienstverlenende netwerken (bvb. elektriciteit, telefoon, drinkwatervoorzieningen)[3]. 

Wat DE SWAAN echter niet expliciet benadrukt, is dat dit proces van algemene verbetering van de levensomstandigheden van de armere buurten een heel langzaam en vaak moeizaam proces is geweest.


Risico’s van ruimtelijke segregatie in de 21ste eeuw
In onze huidige complexe consumptiemaatschappij kunnen we vaststellen dat armere buurten echter blijven bestaan. Remedies om deze buurten in een handomdraai op te waarderen bestaan jammer genoeg niet.
Risico’s van een aparte huisvesting van sociale klassen zijn er talrijk. Zo bestaat in armere buurten het risico op gettovorming waarbij mensen met eenzelfde lot zich sterk gaan concentreren met alle gevaren van dien (bvb. ontstaan van subculturen, criminaliteit).  Rijke buurten lopen dan weer het risico een doelwit te worden voor mensen met minder goede bedoelingen (bvb. diefstallen en inbraken). Niet zelden leidt dit er toe dat de rijke buurten al doende steeds meer evolueren naar versterkte burchten (met camera’s en alarmsystemen, private bewaking). 


Een nieuw apartheidsregime
De overheden kunnen hier ingrijpen door in de mate van het mogelijke te voorzien in een mix van sociale klassen op hun grondgebied. Structureel is het van belang een weldoordacht ruimtelijke ordeningsbeleid te voeren. Denk ik dan maar bijvoorbeeld aan het voorzien van voldoende sociale woonwijken verspreid in de stad. Een andere maatregel kan bestaan in het voorzien van betaalbare gronden en woningen. Kleine ingrepen die weliswaar een groot effect kunnen hebben zijn: een aantrekkelijk premiestelsel voor huisvesting, betaalbare gemeente- en grondbelastingen, groenbeheer...
Zoniet dreigen we naar een nieuw apartheidsregime naar Zuid-Afrikaans model te evolueren. Het criterium van onderscheid zal dan niet zijn ‘blank’ of ‘zwart’, maar wel ‘rijk’ of ‘arm’.  Voor deze trend moeten we ons met zijn allen behoeden.
Zo ook moeten geciviliseerde rijke burgers weten dat een nieuwe winkelketen zoals de Aldi niet gelijkstaat met een doodvonnis voor hun beschermde habitat. Het kan hooguit een verrijking zijn van hun buurt!


[1] HERPOL, J. & TELEN, S. (2011, 28 januari). Aldi in chique buurt doet buren verhuizen. Het Nieuwsblad, www.nieuwsblad.be.
[2] TELEN, S. (2011, 2 februari). Het geld zit nog steeds in Sint-Martens-Latem. Het Nieuwsblad, www.nieuwsblad.be.
[3] DE SWAAN, A. (2004). Zorg en de staat. Amsterdam: Bert Bakker, p.32, 137.

maandag 28 februari 2011

Amerikaanse gezondheidszorg blijft zwaar ziek

 
Toen ik onlangs van job veranderde kon ik via het werk kiezen om me in te schrijven voor een gratis hospitalisatieverzekering. Ook mijn gezinsleden konden aan een voordelig tarief intekenen voor deze verzekering. Na het lezen van de polis kwam ik te weten dat een hospitalisatieverzekering best wel meegenomen is in het geval een ziekenhuisopname zich voordoet. In plaats van volledig zelf de kosten te moeten dragen, betaalt de verzekering van de werkgever dan de rekening. Een mens zou moeten gek zijn om zich niet in te schrijven voor een dergelijk extralegaal voordeel, zo lijkt me.

Nu is het echter zo dat een ziekteverzekering heus niet in alle westerse landen zo vanzelfsprekend is. Zo is er in de Verenigde Staten al helemaal geen sprake van een voordelige ziekteverzekering. Hoe komt dit precies? DE SWAAN geeft een schets van het bijzondere geval dat Amerika is. Feit is dat er zich momenteel een interessante evolutie voordoet in wat betreft het voorzien van een ziekteverzekering voor alle Amerikanen.



Miljoenen Amerikanen geen toegang tot betaalbare ziekteverzekering
Onlangs hebben de republikeinen meer dan hun gram gehaald door de uitvoering van de revolutionair goedgekeurde Amerikaanse wet op de ziekteverzekering af te blazen. De verkiezingsbelofte van president OBAMA B. wordt zodoende gedwarsboomd. Naar schatting blijven maar liefst 50 miljoen Amerikanen in de kou staan. De kosten voor het afsluiten van een ziekteverzekering zijn er torenhoog en dus voor vele burgers onbetaalbaar[1].


Amerika hinkt sinds jaar en dag achterop
In tegenstelling tot hun onderwijssysteem en wat men zou denken, zijn de Verenigde Staten als grootmacht nooit de primus van de klas geweest als het aankomt op de uitbouw van de sociale vangnetten. Zo ook is er van een algemene ziekteverzekering geen sprake en berusten de meeste initiatieven bij privéverzekeraars.

DE SWAAN A. legt in zijn boek ‘Zorg en de staat’ uit waarom de Verenigde Staten niet beschikken over een sterk sociaal zekerheidsapparaat dat stoelt op de schouders van de overheid. Cruciale historische gebeurtenissen zoals de burgeroorlog in de 19de eeuw en de beurscrash van Wallstreet in 1929 legden nochtans de pijnpunten bloot van de gebrekkig sturende overheid. Omdat de sociale wetgeving voornamelijk een bevoegdheid is gebleven van de deelstaten, werd de Amerikaanse gezondheidszorg – in tegenstelling tot de uitbouw van hun nationaal onderwijs – steeds stiefmoederlijk behandeld. Waar de ziektekostenverzekering in de meeste westerse landen een verplicht en afdwingbaar gegeven is, is dit helemaal niet het geval in het land van The Big Apple. Aangezien het initiatief bij de particuliere verzekeraars ligt, en deze als enige doel hebben winst te maken, vallen heel wat minder gefortuneerde burgers uit de boot. Een staatsinmenging dringt zich dan ook op tegen het soms meedogenloze handelen van de commerciële verzekeringsmaatschappijen die de sociaal zwakkeren uitsluit[2].


Reëel risico op discriminatie en het Mattheuseffect
De regels van de vrije markt in de gezondheidszorg, blijven niet zonder gevolgen. Het feit dat miljoenen Amerikanen uitgesloten zijn van een ziekteverzekering, mogen we spreken van discriminatie[3]. Burgers die omwille van uiteenlopende redenen niet kunnen bijdragen tot de ziekteverzekering, zijn in tijden van ziekte volledig uitgesloten van de maatschappij en dreigen zo ook in de marginaliteit te vallen.
Daarnaast is in deze problematiek het risico van het Mattheüseffect prominent aanwezig[4]. Juist omdat de rijkeren de bijdragen voor de ziekteverzekering kunnen betalen, kunnen ze méér dan de arme bevolking beroep doen op de voordelen van de gezondheidszorg. 


Hervormingen dringen zich op
Dat private verzekeringen zonder voldoende controle van de overheid leiden tot mistoestanden, staat vast. Democraat Obama wou met de nationale wet op de ziekteverzekering een einde stellen aan deze misbruiken. De Republikeinse partij besliste daar recent vergeefs anders over. Het zwakke economische klimaat en de vrees voor concurrentieverlies op het vlak van extra personeelskosten in de bedrijfswereld, zullen hier ongetwijfeld een rol gespeeld hebben. Misschien moeten we dan maar uitkijken naar de volgende presidentsverkiezingen in 2012 voor de verwezenlijking van deze American Dream?


23 maart 2010: President Obama die de gezondheidszorg voor alle Amerikanen gelijk wil maken door het instellen van een verplichte ziekteverzekering. Protesten van de republikeinen hebben de uitvoering van de wet echter ongedaan gemaakt.


[1] NEEFS, E. (2009, 22 augustus) Amerikaanse gezondheidszorg is zwaar ziek. De Standaard, www.mediargus.be. 
[2] DE SWAAN, A. (2004). Zorg en de staat. Amsterdam: Bert Bakker, p.158, 211-217.
[3]OP DE BEECK, M. (red.) (2009) Leidraad economie. Antwerpen: Standaard Uitgeverij, p. 47-50.
[4] NEEFS, E (2009, 22 augustus). Idem.

IPA en de vrees voor afbrokkeling van ons sociaal bestel

Na de financiële crisis van 2008 hebben heel wat bedrijven saneringen doorgevoerd. Denken we maar aan Opel Antwerpen, Carrefour, Beaulieu, waardentransporteur Brink's... In deze tijden is er in veel bedrijven nergens nog zekerheid van werk. Nu de economische vooruitzichten opnieuw enigszins positief ogen, willen de vertegenwoordigers van de werknemers (de vakbonden), terug meer garanties op tafel krijgen voor een sociaal en leefbaar klimaat. Deze besprekingen zullen voor de meeste werknemers, mezelf daarbij gerekend, een impact hebben. Dat we voor onze toekomstige generaties moeten bezuinigen, dat weten we intussen allemaal. Maar dat er geen marge is voor een verhoging van de laagste lonen, stemt tot nadenken. 

Zal de armoede veeleer niet toenemen als er niets aan de laagste lonen wordt gedaan, zeker in de huidige context waar de energieprijzen de pan uit swingen en het leven steeds duurder wordt? Moeten we werkelijk vrezen voor een (verdere) afbrokkeling van onze verzorgingsstaat? Om een antwoord te formuleren op deze vragen, vind ik het interessant eens stil te staan bij de huidige sociale ontwikkelingen.


Nieuw interprofessioneel akkoord (IPA) in de maak
Sinds de jaren 1960 wordt er bijna tweejaarlijks een algemeen kader- of interprofessioneel akkoord afgesloten tussen de vertegenwoordigers van de sociale partners uit de privé-sector, de werkgeversorganisaties en de overheid. De afspraken die deze partijen maken, worden in de loop van de volgende jaren vertaald in onder meer collectieve arbeidersovereenkomsten (CAO’s), paritaire comité’s (PC’s), wetten en besluiten[1].
De huidige onderhandelingen voor een nieuw IPA verlopen echter niet op wieltjes. Vakbonden vrezen voor de afbrokkeling van ons sociaal bestel. Met als gevolg dat ze dreigen met acties, zo ook met een nationale betoging op 4 maart 2011[2].



Dreigende factoren voor het IPA
In het voorlopige IPA staan vier thema’s centraal: de welvaartsvastheid van sociale uitkeringen, de index en loonmarge, het statuut arbeiders en bedienden, en de verlenging van tijdelijke maatregelen (o.a. brugpensioen).
Dreigende factoren voor het vastleggen van een nieuw IPA situeren zich in de politieke en sociaal economische context: de hoge loonkost voor werkgevers, de zware impact van de economische crisis en de aanhoudende Belgische politieke impasse[3].

Daarbij komt dat de tanende verzorgingsstaat sedert de jaren 1970 weinig ruimte heeft voor onderhandelingen die een zware kost betekenen voor de maatschappij. Bepaalde verworvenheden die we bereikt hebben doorheen de jaren vanaf de periode van de industrialisering, zijn niet langer vanzelfsprekend.

DE SWAAN A. beschrijft in zijn boek 'Zorg en de staat' hoe de  sociale maatregelen er voornamelijk gekomen zijn als collectieve bescherming tegen tegenslagen binnen het arbeidersbestaan[4]. Eén voor één zijn de sociale verworvenheden bereikt na lang onderhandelen tussen onder meer vertegenwoordigers van werknemers, werkgevers en de staat. Nu zomaar lukraak snoeien in deze opgebouwde sociale rechten lijkt dan ook uit den boze. Dit wil echter niet zeggen dat er geen hervormingen nodig zijn aan ons systeem van sociale zekerheid. DE SWAAN waarschuwt in zijn boek ‘Zorg en de staat’ eveneens nog voor een aantal valkuilen en uitdagingen die een impact hebben op de houdbaarheid van ons sociaal bestel: het berekend gedrag van mensen, de individualisering van de samenleving, het Mattheüseffect…[5]. De kloof tussen arm en rijk dreigt met andere woorden verder toe te nemen als er niet dringend wordt ingegrepen op de juiste manier. 

Onze welvaart op de helling
Het belang van het IPA is niet te verwaarlozen, aangezien de krijtlijnen van arbeiders, bedienden en uitkeringsgerechtigden hierin worden vastgelegd.
Het functioneren van de verzorgingsstaat en het verzekeren van onze welvaart vereist een goed sturende overheid. Het is echter aan de sociale partners en de werkgevers om  tot een akkoord te komen dat niet alleen aandacht biedt voor de werknemers, maar ook voor de sociaal zwakkeren onder ons (bvb. werklozen, alleenstaande ouders).
Pensioen, ziekte, werkloosheidsuitkeringen, het zijn tenslotte allemaal begrippen waar we allen vroeg of laat mee geconfronteerd worden. 


[1] FOD WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG, Interprofessioneel akkoord. Geraadpleegd op 26 februari 2011, op http://www.werk.belgie.be/defaultTab.aspx?id=23936.
CORTEBEECK, L. (2010). Wat niet is, kan nog komen. IPA-onderhandelingen nog niet afgerond. Visie, 36/66, 11. 
[2] ABVV-FGTB (2011) Pamflet IPA-bis: ruim onvoldoende. Nationale actiedag 4 maart. Geraadpleegd op 28 februari 2011, op http: www.abvv.be. 
[3] ACV (2011) Dossier interprofessioneel akkoord: het ontwerp IPA in een notendop. Geraadpleegd op 26 februari 2011, op http://www.acv-online.be/Sociaal_overleg/Interprofessioneel_akkoord. 
[4] DE SWAAN, A. (2004). Zorg en de staat. Amsterdam: Bert Bakker, p.161-163, 184, 237.
[5] SCHWITTERS, R. (2000). De verzorgingsstaat : groei en verandering. In R. SCHWITTERS, L. DE GROOT-VAN LEEUWEN, T . HAVINGA & A. BÖCKER, (reds), Recht en samenleving in verandering (pp. 67-87). Deventer : Kluwer.

woensdag 26 januari 2011

Geïnterneerden in gevangenissen: hoe lang nog?


Onlangs had ik naar aanleiding van een assisenzaak in het nieuws een discussie  met een collega die van mening overtuigd was dat ze 'zotte mensen die iets misdoen maar moeten opsluiten voorgoed, want de kans op genezing is toch klein'. Mijn gevoel zei me dat er iets niet klopte aan deze opinie. Iedereen verdient toch op zijn minst de nodige hulpverlening om in menswaardige omstandigheden te leven. Psychiatrische patiënten die een misdrijf gepleegd hebben -geïnterneerden dus- zijn immers niet volledig bewust van de door hen gepleegde feiten. Deze bijzondere categorie van mensen moeten juist beschermd worden tegen zichzelf, en niet opgesloten worden tussen 'gewone' misdadigers.

Hoe komt het toch dat er, in de voorbije recente geschiedenis van institutionalisering en in onze heersende filosofie van zorg op maat van het individu, nog steeds mensen zijn die hulp nodig hebben aan hun lot worden overgelaten zonder enig perspectief op beterschap?
Om deze vragen te beantwoorden, ging ik op zoek naar enige duiding en achtergrondinformatie. Ik heb uiteindelijk gezocht én gevonden...


Stijgend aantal geïnterneerden in gevangenissen
Het afgelopen jaar bond magistraat H. HEIMANS de kat aan de bel door erop te wijzen dat een stijgend aantal geïnterneerden in de gevangenissen aan hun lot worden overgelaten[1]. Door een tekort aan opvang in de psychiatrie verblijven meer dan 1000 geïnterneerden in de gevangenissen zonder specifieke behandeling. Hoe is dit mogelijk? Leven wij dan niet in de 21ste eeuw? Een reflectie naar hoe het vroeger ging, dringt zich op.


Differentiatie van instituties, maar niet voor geïnterneerden
In zijn boek ‘Zorg en de staat’ beschrijft DE SWAAN het ontstaan van armenhuizen als nieuw soort institutie in het kader van de armenzorg. De armenhuizen kregen echter al vlug de reputatie van gevangenissen omdat ze een amalgaam van minderbedeelden omvatten (bedelaars, zieken, bejaarden, krankzinnigen, zwakbegaafden…).
Pas met de opkomst van de industrialisering in de 19de eeuw, werd een differentiatie van instituties ingevoerd. Naast gevangenissen werden er ziekenhuizen, bejaardenhuizen, weeshuizen en gestichten opgericht. Voor al deze specifieke doelgroepen werden er zorginstellingen op maat gecreëerd[2]. Één groep werd daarbij tot op heden over het hoofd gezien: de ontoerekeningsvatbaar verklaarde individuen, in het jargon de ‘geïnterneerden’ genoemd.


Niet schuldig, wel gestraft…
Mensen met een psychische stoornis die een strafbaar feit hebben gepleegd en een gevaar vormen voor de maatschappij, worden geïnterneerd. In tegenstelling tot een gewone gevangenisstraf is een internering van onbepaalde duur. Geïnterneerden worden in ons rechtssysteem niet schuldig geacht voor hun gepleegde misdrijven, maar wel gestraft als een verantwoordelijk individu[3]. Behalve dat slechts enkele gevangenissen in ons land over een  psychiatrische afdeling beschikken, worden de meeste geïnterneerden opgesloten tussen ‘gewone’ gevangenen. Van een behandeling op maat met het oog op reïntegratie in de maatschappij is er weinig sprake.


Zorg op maat dringt zich op
Ontslagnemend minister van Justitie S. DE CLERCK heeft een oplossing beloofd voor de onhoudbare situatie van geïnterneerden in gevangenissen[4]. In samenwerking met de psychiatrische zorginstellingen moeten er tegen 2014 maar liefst 1000 plaatsen bijkomen voor mensen die een misdrijf gepleegd hebben en hiervoor ontoerekeningsvatbaar zijn verklaard. In deze ‘speciale’ zorginstituten zal een behandeling op maat van het individu opgesteld worden.
Nu nog hopen dat de volgende minister van Justitie ook deze visie draagt en eindelijk uitvoering geeft aan deze gewenste en noodzakelijke differentiatie van het gevangeniswezen.


[1] (2010). Interview met Hernri Heimans. Voorzitter van de Commissie Bescherming Maatschappij van Gent. Ad Rem, jaargang 9, speciale editie, 30-35;
CANVAS. (2010). Te gek om los te lopen.  Geraadpleegd op 18 januari 2011, op http://video.canvas.be/panorama-59-te-gek-om-los-te-lopen
(2010, 16 maart). “Geïnterneerden worden als wegwerpproducten op een hoop gegooid”. Geraadpleegd op 18 januari 2011, op http://www.hln.be/hln/nl/4833/Belgie/article/detail/1080826/2010/03/16/Geinterneerden-worden-als-wegwerpproducten-op-een-hoop-gegooid.dhtml;
LESAFFER, P (2010, 30 januari). De schandvlek van Justitie. De Standaard. Geraadpleegd op 18 januari 2011, op http://www.pfpcg.be/De%20schandvlek%20van%20Justitie.pdf
[2] DE SWAAN, A. (2004) Zorg en de staat. Amsterdam: Bert Bakker, p.35, 40, 59.
[3]LESAFFER, P. (2010); KROLS, N. (2010). Geen schuld, wel straf. Weliswaar. Geraadpleegd op 18 januari, op http://www.weliswaar.be/nieuws/p/detail/geen-schuld-wel-straf-fototentoonstelling-boek-en-colloquium-over-geinterneerden
[4] (2010, 05 september). “Over vier jaar geen geïnterneerden meer in gewone gevangenissen”. Geraadpleegd op 18 januari 2011, op http://www.hbvl.be/nieuws/binnenland/aid969578/over-vier-jaar-geen-geinterneerden-meer-in-gewone-gevangenissen.aspx

Zelfstandigen en armoede


Na het behalen van mijn middelbaar diploma in de kinderzorg ben ik meteen in het werkveld gestapt als beginnende zelfstandige in een vennootschap gedurende enkele jaren. Zo trots als ik was, had ik hoge verwachtingen van mijn job. Na verloop van tijd realiseerde ik me echter dat het eigen baas zijn niet op alle vlakken voordelen schept. Zo stond bijvoorbeeld een dag ziek zijn of jaarlijkse vakantie gelijk met geen inkomsten, weinig kinderen in de crèche betekende minder inkomsten, en aan de verplichte kwartaalbijdragen voor de sociale zekerheid was er geen ontkomen aan. En af en toe een volledige controle van de belastingen was ook niet uitzonderlijk. Mijn eigen baas zijn had zo zijn prijs. Vandaar mijn interesse bij het nieuwsitem dat een behoorlijk aantal kleine zelfstandigen in miskende armoede leeft. Sommigen worden rijk van een eigen zaak, anderen bijlange niet. Is werken in vast loonverband dan zoveel beter? Geniet het ondernemen in onze tijd nog een aanzien en een status zoals vroeger in de tijd van de ambachtslieden? Deze issues komen aan bod in deze bijdrage.



40.000 zelfstandigen leven in armoede
Een recente studie van professor LAMBRECHT aan de HUB confronteerde me met de cijfers dat in de periode 1998 tot 2006 maar liefst 40.000 zelfstandige ondernemers een inkomen verdienen dat onder de armoedegrens ligt[1]. In zijn geheel betekent dit dat 15 procent van alle zelfstandigen in armoede leeft. Gezien mijn persoonlijke achtergrond als zelfstandige in hoofdberoep was mijn interesse gewekt om hier even dieper op in te gaan. De perceptie bij de buitenstaander is dat vrije beroepen goed hun boterham verdienen, het omgekeerde strookt echter vaker met de realiteit. Het is een foute perceptie die vooral gegroeid is uit het verleden.


De status van de kleine burgerij van weleer in verval
Algemeen stelt DE SWAAN A. in zijn boek ‘Zorg en de staat’ dat de sociale zekerheid toenam met de afname van kleine zelfstandigen ten koste van de groei van het aandeel loontrekkers in de beroepsbevolking. Doorheen de moderne geschiedenis heeft de kleine burgerij zich steeds gekeerd tegen de toenemende zorg voor arbeiders. De kleine zelfstandigen stelden zich resoluut op tegen elke poging tot collectivisering van de sociale zekerheid. Zij redeneerden dat een arbeider maar zo slim genoeg moest zijn om maandelijks een stuk van zijn loon opzij te zetten als spaarpot. De ambachten moesten dit trouwen ook maar zo doen[2]. De toenemende invloed van de arbeidersbeweging lag niettemin aan de basis waarom de rechtspositie van iemand met een vrij beroep totaal verschillend ontwikkelde als die van een werknemer in loondienst. Bewijs hiervan is de explosieve toename van de sociale wetgeving in het voordeel van de loontrekkenden in de 19de en 20ste eeuw.
Pas een eind na de Tweede Wereldoorlog is er een beperkte inhaalbeweging aan sociale wetten waarneembaar voor zelfstandigen[3]. Dit heeft niet kunnen vermijden dat de gewaardeerde sociale status die verbonden was met de kleine bourgeoisie van weleer, niet langer opgaat voor vele eenmanszaken van tegenwoordig.


Minder sociale bescherming
Tot op heden is er een immens verschil tussen het statuut van iemand die een zelfstandig beroep bekleedt en een persoon die werkt in loondienst. Waar de werknemer aanzienlijk meer sociale bescherming geniet, is dit niet het geval voor kleine ondernemers. Zo is het inkomen van een zelfstandige bij ziekte drastisch minder, is het wettelijk pensioen beduidend minder, en komt men in het geval van werkloosheid niet meteen in aanmerking voor een uitkering.
Bijkomende factoren waardoor een zelfstandige zijn inkomen ziet dalen, zijn: toename van concurrentie, wegenwerken, een economische laagconjunctuur, hoge belastingdruk, extra lasten, complexe regelgeving…[3]


Werken aan een beter ondernemingsklimaat
Het is aan de deelregeringen in ons land om garant te staan voor een gezond ondernemingsklimaat. Zo hebben alle overheden een vinger in de pap om tegemoet te komen aan een transparanter beleid. Minder complexe regelgeving, een lagere lastendruk en extra inspanningen op het vlak van sociale bescherming kunnen het vrije beroep terug opwaarderen. Want nu betaalt een zelfstandige in hoofdberoep toch maar een hoge prijs voor de vrijheid die geassocieerd wordt aan de uitoefening van zijn beroep tegenover de sociaal (over)beschermde werknemer.


[1] VANDERSMISSEN, M. (2010). ‘Ik verloor mijn zaak, mijn gezin en mijn trots’. De Standaard. Geraadpleegd op 10 januari 2011, op http://www.mediargus.be
[2] DE SWAAN, A. (2004). Zorg en de Staat. Amsterdam: Bert Bakker, p.166, 168, 176.
[3] D’HERTEFELT, F. (red.) (2010). Praktisch sociaal recht. Antwerpen: De Boeck, p.13 – 14.
[3] VANDERSMISSEN, M. (2010)

Een verloren generatie

 
Toen ik afgelopen kerstvakantie in de winkelstraten van Brussel op jacht was naar nieuwjaarsgeschenken, viel het me op dat er een heel aantal jongeren in groepjes samentroepen en de winkelende mensen gade slaan. Je hebt ze misschien ook al gemerkt: 15 à 20 jaar oud, meestal jongens van vreemde origine, de haren mooi kort geknipt en in de juiste vorm, modern  aangekleed en in het bezit van een gsm met tal van toepassingen op. Wie boodschappen doet in een grootstad, komt deze jongens zeker wel eens tegen. Het feit is dat ze door menig boodschapper slechts vluchtig een blik krijgen, want ook ik voel me toch niet op mijn gemak als ik van die groepjes voorbijloop. Deze groepjes krijgen ook wel het etiket 'hangjongeren' opgeplakt. 
Is dit echt wel een nieuw fenomeen dat soms uitvergroot wordt door de media, of bestaat dit al langer? Kunnen we iets ondernemen tegen het onbehaaglijk gevoel dat hangjongeren ons geven want vaak worden ze toch geassocieerd met criminaliteit? In onze samenleving die steeds complexer wordt met verschillende nationaliteiten, is dit een fenomeen waar we misschien best aandacht moeten aan besteden... 


Allochtone jongeren met een kwalijke reputatie
Enkele maanden geleden toonde een televisiereportage van Panorama op de openbare omroepzender Canvas een beeld van de als ‘verloren generatie’ bestempelde allochtone jongeren in bepaalde wijken van Brussel[1]. Daarin werd dieper gegaan op de problematiek van jeugdcriminaliteit in de hoofdstad. Zonder met beschuldigende vinger te wijzen naar bevolkingsgroepen, vind ik het nuttig op zoek te gaan naar de werkelijke oorzaken en mogelijke oplossingen van dit fenomeen. 


Vooral probleem van de grootsteden
Dat de grote steden een aantrekkingspool zijn voor mensen met minder goede bedoelingen, is reeds een langer gekend gegeven. DE SAAN A. brengt in zijn boek ‘De Zorg en de staat’ een schets uit de vroegere tijden van landlopers en criminelen die zich in de massa van de stad onderdompelden om diefstallen en geweld te plegen. In tijden van crisis of misoogst hielden de steden de stadspoorten dicht voor vreemdelingen, dieven en plunderaars.
Jonge werklozen werden wegens het gebrek aan een sociaal vangnet door de bevolking gevreesd als potentiële criminelen. Scholen werden opgericht, niet alleen om te leren rekenen en schrijven, maar vooral als civiliserende instantie om jonge mensen in het gelid te doen lopen in overeenstemming met de regels van het bestuur[2]. In de uitbouw van het onderwijssysteem in de Verenigde Staten, die trouwens in de 19de eeuw geconfronteerd werd met tal van immigranten, werd zelfs een spijbelpolitie ingeschakeld en voorzien in tuchtscholen voor hardleerse jongeren. Deze disciplinemaatregelen ontmoedigden immigrantenkinderen uit te groeien tot jonge zwervers ide leefden van  kattekwaad en jeugdcriminaliteit[3]. 

In het hedendaagse Europa is het echter onmogelijk om terug te grijpen naar sommige maatregelen uit vervlogen tijden. Maar dit betekent niet dat we niet kunnen leren uit het verleden en eventueel teruggrijpen naar praktijken waarvan hun nut eerder bewezen is.
Het is nu inderdaad eenmaal zo dat hoe groter de bevolkingsdichtheid is, hoe groter de kans bestaat dat er een deel van de bevolking afwijkend gedrag zal stellen. Het mag en het kan echter niet zijn dat dit deel van de bevolking ganse wijken gaat terroriseren. Veiligheid en leefbaarheid zijn immers een recht van elke burger.


Oorzaken: een combinatie van factoren
Stadswijken die ontaard zijn tot no go areas voor publiek en ordediensten ontstaan niet uit het niets. Tal van factoren liggen aan de basis van dergelijke verzuurde wijken. Zo is het geweten dat wijken waar het publieke leven stil valt, vaker een biotoop worden voor mensen die zich afzetten van de gangbare maatschappij. Hoge werkloosheid en lage inkomens zorgen voor een aanzuigeffect van gefrustreerde individuen. In niet weinig van deze gevallen wordt de rode loper uitgerold voor mensen met kwade bedoelingen. Een ingrijpen van de plaatselijke politieke overheden in samenwerking met buurtinstanties dringen zich in dergelijke situaties op.


Oplossing: geïntegreerd beleid
Om tegemoet te komen aan een multifactorieel probleem, dient men naar meerdere oplossingen te zoeken. Naast een efficiënt werkend justitieapparaat, getuigt een politiek van goed bestuur van een daadkrachtig beleid op het vlak van werkgelegenheid, kwalitatieve huisvesting, gelijke kansenonderwijs en integratie. Zo is de kennis van het Frans EN het Nederlands van onbepaalde waarde in het actieve beroepsleven.
Niet te vergeten geeft de uitbouw van een sterk sociaal-cultureel beleid (zoals de inplanting van bibliotheken, buurthuizen, gemeenschappelijke sportinfrastructuur, enz.) meer zuurstof aan ‘opgegeven’ stadswijken. Dat dit alles een kostenplaatje heeft, hoeft niemand te verwonderen. Het is geen toeval dat tijdens de actuele regeringsonderhandelingen geschreeuwd wordt naar 500 miljoen euro extra middelen voor Brussel. De vraag rest: wie wil betalen voor een als verloren bestempelde generatie?


(DEEL 1/4 van reportage op CANVAS (2010, 6 juni), Quartiers chauds, quartiers perdus?)


[1] CANVAS. (2010). Quartiers chauds, quartiers perdus? Geraadpleegd op 07 januari 2011, op http://video.canvas.be/panorama-6-juni-2010-quartiers-chauds-quartiers-perdus
[2] DE SWAAN, A. (2004). Zorg en de staat. Amsterdam: Bert Bakker, p.256, 259.
[3] DE SWAAN, A., p.121-122.